Karen is er deze week niet. Haar vader heeft een herseninfarct gehad en ze speelt even dochter in plaats van dokter. En dat is, zo blijkt, precies het onderwerp.

In deze aflevering praten Suze en Carine over wat het vraagt om als hulpverlener te zorgen dat je eigen gezondheid werkelijk op de eerste plek staat — niet als ideaal, maar als fundament van goed werk. Over het energetische lijntje dat blijft lopen naar cliënten in crisis, ook als je bij je kinderen bent. Over beschikbaarheid als ambacht: ieder mens vraagt iets anders, er is geen protocol dat dat vat.

Suze vertelt over oom Jan op de scheepswerf. Ze was 22, de eerste vrouw die er iets anders deed dan koffie brengen, uitgelachen door collega’s en haar vader. Ze laste de spanten van een schip in haar eentje, bang om te laten zien dat ze het niet kon. Totdat Jan haar vroeg om twintig meter omhoog te klimmen voor het feestelijke moment van het gangboord. Ze aarzelde. Hij fluisterde: ‘Ik heb het nagekeken voor je. Je kunt veilig gaan.’ Dat verhaal is 29 jaar later nog niet vergeten.

Ze praten ook over de cliënte die bij 38 therapeuten was weggestuurd en het stempel ‘onbehandelbaar’ had meegekregen. Over zaadjes planten en niet weten wanneer ze uitkomen. Over het dunne lijntje tussen voldoening uit je werk halen en afhankelijk zijn van het resultaat van de ander. En over wat het innerlijke werk werkelijk betekent — niet je patronen uitwissen, maar van jezelf houden in de stukken waarin je met jezelf vecht.

Wat je leert / meeneemt

Gebruik als bullet-lijst op website of in afleveringsbeschrijving.

  • Waarom toewijding aan je eigen gezondheid het fundament is van goed hulpverlenen — niet een luxe of toevoeging
  • Hoe het energetische lijntje naar cliënten in crisis werkt, en wanneer het gezin wordt van je gezin
  • Wat oom Jan op de scheepswerf leerde over ambacht, vertrouwen en nooit meer alleen je werk doen
  • Wat er werkelijk nodig was voor de cliënte die bij 38 therapeuten was weggestuurd
  • Het dunne lijntje tussen voldoening uit je werk halen en afhankelijk worden van de resultaten van de ander
  • Wat zaadjes planten betekent als therapeutische houding — en waarom dat geen passiviteit is
  • Wat het innerlijke werk écht vraagt: niet je patronen uitwissen, maar van jezelf houden in de stukken waarin je vecht

Blogpost bij Aflevering 6

Ik heb het voor je nagekeken

Suze was 22 jaar en de eerste vrouw op de scheepswerf die er iets anders deed dan koffie brengen. Ze had gelast. Ze had de spanten gelast die de ribbenkast van een schip bij elkaar houden. En ze had het gedaan zoals ze alles deed in die tijd: alleen, stiekem, bang om te laten zien dat ze het niet wist.

Oom Jan had haar het lassen geleerd. Maar hij had haar ook laten klooien. Op een gegeven moment liet hij haar gewoon — en ze wist niet of dat vertrouwen was of onverschilligheid.

Toen het moment aanbrak dat het gangboord gelast moest worden — het feestelijke moment, familie erbij, champagne erbij, het schip krijgt zijn vorm — vroeg Jan wie de spanten gelast had. Iedereen keek naar Suze. ‘Nou Suus, jij hebt de spanten gelast. Dan mag jij nu naar boven.’

Twintig meter. Op de spanten die ze zelf had gelast. Zonder dat iemand haar werk had nagelopen.

Ze aarzelde. Jan liep naar haar toe en zei zachtjes, zodat de rest het niet kon horen:

“Is er iets? — Ik weet het niet, hoe bedoel je? — Kom dan naar boven. — Maar als het mis gaat… — Er is niets mis met jouw laswerk. Ik heb het nagekeken voor je. Je kunt veilig naar boven. Maar dit mag je nooit meer zo doen.”

Ze was 22. Nu is ze 51. Het is 29 jaar geleden.

Ze vertelt het in aflevering 6 van Mens in Wording in de context van een gesprek over vakmanschap — over wat het eigenlijk betekent om dit vak te doen. Een collega noemde het een ambacht: ieder mens anders, ieder moment anders, geen protocol dat het vat. En bij een ambacht, leerde Jan haar, doe je één ding boven alles: je zorgt voor jezelf. Je neemt de rust. Je zoekt je materialen bij elkaar. Je zegt: ik weet niet hoe dit moet, leer het me even. Want er zijn mensenlevens op het spel als je dat niet doet.

In de zorg is die les niet geleerd.

Carine vertelt over het Pinksterweekend: ze had migraine, was er bijna doorheen, en een cliënte die nooit hulp vraagt bereikte haar. Ze ging met zichzelf zitten. Kan ik dit op dit moment? Is dit werkelijk mijn beschikbaarheid? Ze belde — niet automatisch, niet uit programma, maar vanuit een bewuste keuze dat ze er echt was.

Suze vertelt over de cliënte die bij 38 therapeuten was weggestuurd. Die het stempel had gekregen: onbehandelbaar. Suze zei wat ze kon beloven: je bent welkom. Niet: ik los het op. Niet: zes maanden en dan zien we het resultaat. Gewoon: je bent welkom.

“Dat heb ik nog nooit gehoord. Want in ieder traject werd ik weggestuurd. Omdat er na zes maanden resultaat moest zijn. En anders was ik onbehandelbaar.”

Carine noemt het zaadjes planten. Je weet niet wanneer ze uitkomen. Sommige komen nooit uit. Maar als je blijft water geven, gaan er uitkomen. Het probleem is dat de zorg resultaat wil zien op de termijn die zij bepaalt — niet op de termijn die het leven nodig heeft.

En de therapeut die dat systeem internaliseert — die zijn eigen bestaansrecht koppelt aan de resultaten van zijn cliënten — is niet meer een therapeut. Die is iemand die zichzelf nodig heeft.

“We zitten op een raar rots blokje. 80.000 km per uur om een as heen te spinnen in een rare oersoep van sterrenstelsels. Maar wat er uit deze patiënt moet komen — dat weten we zeker.”

De aflevering eindigt met een nuance die Suze bijna terloops inbrengt, maar die de zwaarste zin van de hele podcast is: ‘het innerlijke werk’ betekent niet dat je je patronen moet uitwissen tot je af bent. Het betekent: kun je van jezelf houden in de stukken waarin je juist met jezelf vecht? Kun je een arm om je heen laten slaan — zonder dat die arm iets hoeft op te lossen?

Oom Jan sloeg geen arm. Hij fluisterde. Maar het werkte hetzelfde.

Je kunt veilig naar boven. Maar nooit meer alleen.

Luister naar aflevering 6 van Mens in Wording.

Voor de mens achter de hulpverlener.