Podcast (mens-in-wording): Play in new window | Download
Subscribe: Apple Podcasts | Spotify | Email | RSS | More
Misschien ken je het: een cliënt die moeizaam contact maakt, tussen sessies lastig is, bij elke stap schuurt. En jij denkt: ik wil je helpen, maar maak het me dan ook een beetje makkelijker.
Het lastige is dat dat precies het probleem is waarvoor diegene bij jou komt. Je kunt van een cliënt niet vragen dat hij zijn probleem even opzij zet omdat je hem wil helpen met dat probleem.
In aflevering 4 praten Suze, Karen en Carine over boosheid — van cliënten, van patiënten, en van henzelf. Over wat er in jou gebeurt als iemand woedend op je wordt en waarom je instinct je dan zo vaak in de verkeerde richting stuurt. Over het verschil tussen een theoretisch aangeleerde respons en echte verbinding. Over de studente die briezend aan de telefoon hing — en wat Suze moest doorwerken voordat ze kon zeggen: ze mag ook gewoon boos zijn.
Ze praten ook over diagnosedenken en wat er verloren gaat als een mens teruggebracht wordt tot zijn stoornis. Over vier tot zes uur per dag voor je eigen proces. Over wat het betekent om een reddingsboeitje te zijn in plaats van een echte hulpverlener.
En over de telefoon die rinkelt — en wat dat doet in het lijf van drie vrouwen die anderen helpen met precies dit soort dingen.
Wat je leert / meeneemt
- Waarom het lastige gedrag van een cliënt tussen sessies door precies hetzelfde is als waarvoor die cliënt hulp zoekt — en wat dat betekent voor jou
- Wat er fout gaat als je een aangeleerde respons toepast zonder verbinding — en hoe de cliënt dat voelt
- Hoe je je eigen bestaansrecht terugvindt als iemand boos op je is en alles in jou zegt dat je iets verkeerd hebt gedaan
- Wat boosheid ontwikkelingspsychologisch betekent — en waarom het zo gevaarlijk is als het er niet mag zijn
- Wat vier tot zes uur per dag voor je eigen proces concreet inhoudt — en waarom het niets te maken heeft met je patronen uitwissen
- Het verschil tussen een reddingsboeitje zijn en iemand werkelijk helpen
- Hoe drie hulpverleners met de rinkelende telefoon omgaan — en wat dat zegt over hoe we met spanning omgaan
Ze mag ook gewoon boos zijn
Er was een studente die Suze had gebeld. Briesend. Ze was zo ontzettend boos dat Suze het trainingsschema had veranderd — iets wat ze had veranderd omdat de groep erom had gevraagd, omdat het beter was, omdat het nu kon.
Suze bood een uitzondering aan. Speciale behandeling. Extra tijd. Haar eigen agenda inleveren om dit op te lossen.
De studente werd nóg bozer.
Twee maanden heeft Suze daarmee geworsteld. Niet met de vraag hoe ze het voor haar cliënte kon oplossen — maar met de vraag: heb ik bestaansrecht? Mag ik bestaan als ik mensen trigger? Mag ik beslissingen nemen als die boosheid veroorzaken?
“Ik had het gevoel dat ik mislukt was. Dat ik niks meer goed kon doen. Dat ik beter niet kon bestaan. En dat ging niet over haar. Dat ging over mij.”
Dat is het moment waarop de therapeut verdwijnt en de mens overblijft. En paradoxaal genoeg is dat precies het moment waarop de therapeut pas echt beschikbaar wordt.
In aflevering 4 van Mens in Wording gaat het over boosheid — van cliënten, van patiënten, en van de hulpverleners zelf. Over wat er in je systeem gebeurt als iemand vol woede op je afkomt, en waarom al je getrainde instincten je dan de verkeerde kant op sturen. Naar de standaardzinnetjes. Naar het protocol. Naar de uitleg, de verdediging, de structuur.
Naar precies datgene waarvan Karen’s collega had bewezen dat het niet werkt.
Die collega had een training gevolgd. Ze wist wat ze moest doen bij lastig gedrag. En de man in de wachtzaal werd er onveiliger van. Omdat hij voelde dat het een aangeleerde respons was. Omdat hij voelde dat er achter de zinnetjes geen mens zat.
“Zodra we praten vanuit standaard aangeleerde zinnetjes die we op dat moment even bovenhalen — dat wordt gevoeld. En het maakt het onveiliger.”
Wat werkt dan wel?
Suze noemt het je hart openen voor een tornado. Het onlogische doen. Niet dichtgaan op het moment dat iemand met volle kracht op je af komt, maar opengaan. Niet omdat je heilig bent. Niet omdat het niet raakt. Maar omdat je weet — ergens diep, ook al voel je het op dat moment niet — dat die boosheid niet over jou gaat.
Of wel over jou gaat. Dat ook.
‘Soms heb ik gewoon iets verkeerd gedaan,’ zegt Suze. ‘Soms is iemand terecht boos op mij.’ En ook dan. Ook dan is de weg niet de verdediging, maar de vraag: hoe was het voor jou?
Karen vertelt over een man in een psychiatrisch ziekenhuis. Zijn diagnose was onder controle. Volgens zijn behandelaar ging het prima. Karen vroeg hem hoe hij zich voelde. Hij begon te huilen.
Hij wilde maar één ding: zelf aan het stuur van zijn leven zitten.
“We gaan die man helpen, denken we. Maar we zijn zijn schuldeisers aan het helpen. We helpen de wereld om niet zoveel last van hem te hebben.”
Dat is het verschil tussen een reddingsboeitje zijn en iemand werkelijk helpen. Een reddingsboeitje houdt je net boven water. Het verandert niets. Het is beter dan verdrinken — maar het is niet wat hulpverlening kan zijn.
Wat hulpverlening kan zijn begint bij de hulpverlener zelf. Bij vier tot zes uur per dag — niet om je patronen uit te wissen, maar om je verbinding met iets groters levend te houden. Om te weten, ook als de telefoon gaat en je lijf op schrap staat, ook als iemand briezend belt, ook als jij het zelf niet meer voelt: ik heb bestaansrecht. En zij mag ook gewoon boos zijn.
Luister naar aflevering 4 van Mens in Wording.
Voor de mens achter de hulpverlener.